Ingezonden: Is reshuffeling ministersploeg de oplossing?

Politiek Suriname is al een week in de ban van de reshuffeling van de ministers, zoals die aangekondigd werd door de heer Graanoogst van het kabinet van de president. Het idee is, dat er meer vaart zal komen in de uitvoering van de regeringsplannen als de zwakkere ministers in het regeringsteam vervangen worden. Klopt deze redenering? Met onderstaande analyse zal ik proberen aan te tonen, dat er meer aan de hand is.

Geen eenheid

Naar mijn overtuiging, vallen de resultaten van de regering Bouterse-Ameerali vooral tegen, omdat er nooit een echte eenheid was in deze regeerploeg. Zoals ik zelf al in eerdere artikelen en commentaren heb aangegeven, zijn de coalitiepartners MC, AC en VA het over de inhoudelijke regeringsdoelen wel eens. Waar ze het echter minder over eens zijn, is de wijze waarop er geregeerd wordt. Hierover staat bijna niets in het Regeerakkoord en er is bij mijn weten ook nooit diepgaand over gesproken tussen de coalitieleiders, met uitzondering misschien van de coalitietop in Colakreek van maart 2011.

Het gaat dus om verschillen van opvatting, die nooit expliciet zijn gemaakt, maar daarom niet minder een rol spelen. In grote lijnen komt het erop neer, dat de kleinere coalitiepartners AC en VA (en ook BEP) over het algemeen vasthouden aan het presidentieel-parlementaire stelsel zoals dit zich de afgelopen decennia heeft ontwikkeld in Suriname. Dit stelsel houdt in dat de president weliswaar eindverantwoordelijk is voor de uitvoerende macht, maar toch in de praktijk een redelijke mate van vrijheid overlaat aan zijn ministersploeg (aangevoerd door de vp). Uiteindelijk is het dan aan het parlement om de ministers, de vp en ook de president te controleren op hun handelswijze.

Binnen de Mega Combinatie, en in het bijzonder bij de NDP, heerst een heel andere opvatting van het staatsbestel. Zij constateren (ik denk terecht) dat er van de relatieve vrijheid op de ministeries veel misbruik wordt gemaakt. Bovendien is het overheidsapparaat niet efficiënt. Deze gebreken kunnen op meerdere wijzen bestreden worden, maar binnen de NDP gaat de voorkeur ernaar uit om de uitvoerende macht zoveel mogelijk te centraliseren in de handen van de president. De vraag of dat niet tot weer een ander soort willekeur moet leiden aangezien één man nooit het hele overheidsapparaat kan overzien, die stellen zij zichzelf niet.


 

Welnu, hoe zou een regering goed kunnen functioneren, als binnen de coalitie zo fundamenteel verschillend wordt gedacht over het gewenste regeersysteem? Ik ben het er wel mee eens, dat ook ministers moeten voldoende aan bepaalde prestatiecriteria. Ik sluit mij in dat opzicht aan bij de BEP-parlementariër Ronny Asabina, die heeft gesteld dat die criteria dan expliciet moeten worden gemaakt, zodat er een objectief en transparant evaluatieproces kan plaatsvinden.

De grote vraag is echter, of het vervangen van de zwakkere ministers soelaas biedt, als er geen eenheid is binnen de coalitie. Deze eenheid wordt nog bemoeilijkt, omdat men gekozen heeft voor de constructie van een “neutrale” vice president. Met alle respect voor de grote inzet van de vp: hij heeft geen achtergrond binnen AC /BEP of VA en het is de vraag of hij tot nu toe in staat is geweest hun belangen daadwerkelijk te behartigen (zonder daarbij te bezwijken voor politieke chantage, want dat is weer het andere uiterste).

De rol van de kabinetten van president en vp

Verder is van belang: de rol van de kabinetten van president en vp. Binnen de Surinaamse constitutie, hebben deze kabinetten onder meer de rol van “oliemannetje”: zij moeten ervoor zorgen dat de door de president genomen beslissingen een zo groot mogelijk draagvlak hebben, niet alleen bij de coalitiepartners maar ook bij diverse maatschappelijke groeperingen.

We vinden in deze kabinetten onder meer de voormalige president Jules Wijdenbosch, die naar mijn mening veel aanzien geniet, zowel binnen als buiten Suriname. Bovendien wordt hij gedragen door alle coalitiepartners. Hij zou een positieve rol kunnen spelen. Maar ik constateer ook, zonder namen te willen noemen, dat er meerdere adviseurs zijn in de omgeving van de president die herhaaldelijk voor verdeeldheid en zelfs felle verontwaardiging hebben gezorgd, zowel in kringen binnen de coalitie als daarbuiten.

Voor iedere coalitie is een zekere cohesie en een goede onderlinge interactie van de coalitiepartners van levensbelang. Als die eenmaal tot stand is gebracht, zal het makkelijker zijn om ervoor zorgen dat het voorgenomen beleid in de praktijk tot uitvoering komt bij de werkarmen die daarvoor bedoeld zijn, namelijk de ministeries.

Zolang er geen onderlinge cohesie is op politiek topniveau binnen de coalitie, hoeft het ons niet te verbazen dat de ministeries niet de gewenste output leveren.

Jan Gajentaan